6. Handelings­perspectief

Naar een aantrekkelijk landelijk gebied

Een ontspannen Nederland creëren vergt een systeemverandering die veel tijd gaat kosten, alsook consistentie in de sturing en lange­termijn-uitvoerings­kracht. De systeemverandering gaat verder dan de invulling van de fysieke ruimte en betreft ook maatschappelijke veranderingen. Een ‘ontspannen Nederland’ vergt een gerichte, gecombineerde en gecoördineerde inzet van geld en instrumentarium, duidelijkheid over de koers voor de lange termijn, en consistentie in de uitvoering. Daarvoor zijn heldere doelen nodig voor de lange termijn. Die doelen moeten goed op elkaar zijn afgestemd, over langere tijd (20-30 jaar) niet meer veranderen, concrete tussendoelen bevatten, meetbaar, handhaafbaar en afrekenbaar zijn. 

Voor we ingaan op het handelingsperspectief vatten we een aantal recent verschenen adviezen samen, schetsen we de systeemkarakteristieken en afwegingsprincipes waar rekening mee gehouden moet worden. Vervolgens gaan we in op de korte- en langetermijnaanpak en doen we een voorstel voor instrumenten en andere uitvoeringsaspecten.

Recente adviezen

Het afgelopen jaar zijn er, ter voorbereiding van de vorming van een nieuw kabinet, vele rapporten en aanbevelingen verschenen over de verduurzaming van de landbouw en het landelijk gebied, zowel door de overheid zelf als door adviesorganen, maatschappelijke partijen en het bedrijfsleven https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/aanpakstikstof/documenten/kamerstukken/2021/04/16/kamerbrief-over-ontwerpregeling-stikstofreductie-en-natuurverbetering
https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/aanpakstikstof/documenten/rapporten/2020/10/14/beleidsevaluatie-van-het-pas-en-het-wetstraject-voorafgaand-aan-het-pas
https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/aanpakstikstof/documenten/kamerstukken/2021/05/04/kamerbrief-over-aanbieding-en-appreciatie-eindrapport-individuele-afrekenmiddelen-klimaatopgave-in-de-landbouw-en-hoofdlijnen-verkenning-afrekenbare-stoffenbalans
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2020/06/08/niet-alles-kan-overal
https://www.aanpakstikstof.nl/documenten/rapporten/2021/03/19/rapport-normeren-en-beprijzen-van-stikstofemissies
https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2021D10594&did=2021D10594
https://www.aanpakstikstof.nl/binaries/aanpakstikstof/documenten/rapporten/2021/03/19/rapport-ruimtelijke-verkenning-stikstofgevoelige-natuur/Rapport+Ruimtelijke+
Verkenning+
Stikstofgevoelige+Natuur.pdf
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2021/04/06/rapport-van-woorden-naar-daden-over-de-governance-van-de-ruimtelijke-ordening
https://www.pbl.nl/sites/default/files/downloads/pbl-2021-grote-opgaven-in-een-beperkte-ruimte-4318_1.pdf
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2021/04/30/kiezen-en-delen
. Als je deze stukken leest, blijken ze een groot aantal vergelijkbare adviezen te bevatten: 

— Zet concrete stappen voor de oplossing van de stikstofcrisis om te ontsnappen uit het juridische moeras. Stel daarbij de natuurkwaliteit en instandhoudingsdoelen centraal. Meer concreet: stop verslechtering, neem dreiging van verslechtering weg en geef aan hoe de KDW en in het verlengde daarvan de Natura 2000-doelen gehaald gaan worden.

— Pak dit integraal aan: klimaat, water, landschap, plattelandsontwikkeling en perspectief voor de boer.
Volg daarbij een doelenbeleid en stap af van middelvoorschriften. Zorg dat dit ook juridisch houdbaar is.

— Ga veel sterker uit van de bodem en het watersysteem als gezamenlijke onderlegger voor omgevingsbeleid. 

— Maak een flink budget vrij voor de omschakeling en het compenseren van marktfalen door vergoeding van diensten die de landbouw levert. Vanuit verschillende benaderingen wordt hiervoor ingezet op € 2 miljard/jaar over 10-15 jaar.

— Werk vooral in gebiedsprocessen samen met verschillende stakeholders, gefaciliteerd door de overheid en binnen duidelijke kaders.

— Zorg voor de juiste instrumenten die stimulerend werken en integraal sturen via Kritische Prestatie-Indicatoren (KPI’s).

Daarnaast is er een veelgehoorde roep om een andere bestuurscultuur, meer leiderschap, meer ruimtelijke ordening, meer regie van het Rijk https://www.collegevanrijksadviseurs.nl/adviezen-publicaties/publicatie/2020/11/24/advies-ruimte
, een integrale aanpak van de grote opgaven https://www.collegevanrijksadviseurs.nl/projecten/panorama-nederland
, een aantrekkelijk langetermijnperspectief voor de boeren https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2019/06/17/realisatieplan-visie-lnv-op-weg-met-nieuw-perspectief
https://www.collegevanrijksadviseurs.nl/actueel/nieuws/2020/09/09/advies-op-weg-naar-een-new-deal-tussen-boer-en-maatschappij
, het waken voor perverse prikkels, en minder regels die in de praktijk verkeerd kunnen uitpakken. Het is echt tijd voor een koerswijziging (systeemverandering) ten opzichte van de afgelopen decennia, met nieuwe verhoudingen tussen overheden, een koerswijziging overheden, maat­schap­pelijke organisaties en bedrijfsleven. Wij bouwen op deze adviezen voort en voegen daar de verplichtingen uit hoofdstuk 4 aan toe. Dit is niet van de ene op de andere dag te realiseren, maar de verandering moet nu wel stevig worden ingezet.

Uitgaan van systeemkarakteristieken

Voor het definitief oplossen van de maatschappelijke opgaven in Nederland is een systeemverandering nodig in de productie, de keten en consumptie van voedsel en de waardering van de groene ruimte en biodiversiteit. Alle actoren in de voedselketen zullen daarvoor hun bijdrage moeten leveren. In lijn met de visie van De Boer en Van Ittersum https://www.wur.nl/nl/show/Overview-Food-System-Vision-Re-rooting-the-Dutch-food-system.htm
is de draagkracht van de aarde daarbij het belangrijkste uitgangspunt. Alleen daarmee komen we tot een werkelijk duurzame en volhoudbare voedselproductie. Een ander belangrijk uitgangspunt is het herstellen van de verbinding tussen burgers en het voedsel dat zij consumeren. Al ons voedsel zou moeten worden geproduceerd met volledig respect voor dieren en de mensen die het produceren. Als we naar een duurzame situatie willen, en de stikstofproblematiek willen oplossen, zullen we moeten omschakelen naar een grondgebonden veeteelt en moeten we stoppen met het importeren van veevoer en toepassing van grote hoeveelheid kunstmest. De grote hoeveelheid ‘nieuw stikstof’ komt ons land binnen via krachtvoer en kunstmest en die vormen de basis voor de uiteindelijke verliezen naar het milieu: wat erin komt, gaat er ook weer uit (figuur 6.1). Daarnaast zullen we moeten streven naar een chemie-arme, klimaatneutrale landbouw. Alleen dan kan Nederland uit zijn rol stappen als ‘esdorp’ van de wereld. Alle dieren die in ons land worden gehouden, worden dus in de toekomst gevoed met voer dat in Nederland wordt geproduceerd. 

— figuur 6.1 — Lekken in de stikstofstromen van de Nederlandse landbouw

Data: CBS et al. 2019 Bewerking en vormgeving: Vizualism

Nederland en de rest van de wereld

Nederland is niet geïsoleerd van de wereld als het gaat om voedselproductie en consumptie. In onze landbouw wordt gebruikgemaakt van inputs die lokaal (vanuit het natuurlijk systeem) beschikbaar zijn of worden aangevoerd, zoals fosfaat, soja en ook zaden, machines, arbeidskrachten, et cetera. Door grondstoffen te importeren, te bewerken en vervolgens af te zetten in eigen land of te exporteren kan financieel rendement worden behaald. De Nederlandse agribusiness (boeren, handel en industrie) heeft een sterke concurrentiekracht. We hebben goedkoop transport in de nabijheid van grote steden. Nederland heeft een sterke handelsgeest (ondernemerschap) en een uitstekende kennisinfrastructuur. Dat heeft geleid tot sterke, internationaal opererende bedrijven in de voedsel- en toeleverende industrie. Daarnaast is er sprake van een grote aantrekkingskracht van andere bedrijven daaromheen. Dat leidt tot synergie, bijvoorbeeld in de kennisinfrastructuur en specialisatie in de arbeidsmarkt. De Nederlandse landbouwsector exporteert vooral producten die een hoge toegevoegde waarde hebben, zoals babymelkpoeder, groenten, vlees en kaas. Omgekeerd bestaat de import vooral uit bulkproducten met een lage toegevoegde waarde, zoals veevoer, naast voedsel voor de Nederlandse consument. We exporteren 80% van onze voedselproductie en importeren 70% van het voedsel dat in de supermarkten terechtkomt https://www.collegevanrijksadviseurs.nl/projecten/rijk-boerenland/essay-jan-willem-erisman
. Onze boeren produceren dus maar voor een klein deel het voedsel dat dagelijks op ons bord ligt. De relatie tussen voedselproductie en voedselconsumptie is in Nederland voor een groot deel verdwenen. Naast de forse negatieve impact van de huidige landbouw op het Nederlandse landschap is er ook een aanzienlijke impact op buitenlandse landschappen: de hoeveelheid land die nodig is voor de Nederlandse consumptie bedraagt ongeveer drie keer het landoppervlak van Nederland https://www.pbl.nl/sites/default/files/downloads/PBL_2012_De_Nederlandse_voetafdruk_500411002.pdf
. Als we dus streven naar verduurzaming van onze voedsel­productie, dan moeten we ook kijken naar de internationale component en naar de handelsverdragen die import en export bevorderen.

Akkerbouw en tuinbouw waar het kan

Los van mogelijke ethische bezwaren, is het eten van dieren in het algemeen geen efficiënte manier van voedselvoorziening. Afhankelijk van de diersoort is voor een kilogram vleeseiwit tussen de 2 en 8 kilogram plantaardig eiwit nodig https://www.alprofoundation.org/news-events/reversing-the-nitrogen-crisis/
. We kunnen dus het best de gronden in Nederland waarop akkerbouw en tuinbouw goed mogelijk is, reserveren voor het produceren van plantaardig voedsel voor mensen. Hiervoor zijn de toplandbouwgronden, zoals beschreven in hoofdstuk 5, uitermate geschikt. De reststromen die dat oplevert, kunnen worden gevoerd aan dieren zoals kippen en varkens. Op de niet-toplandbouw­gronden die minder geschikt zijn voor het produceren van voedsel voor mensen kan veelal wel goed gras worden geproduceerd, dat door runderen en andere herkauwers kan worden omgezet in zuivel en vlees. 

Gezondheid

Er is een grote behoefte aan de verbetering van de menselijke gezondheid en de daaraan gekoppelde maatschappelijke kosten. Door aanpassing van leefstijl en gezond voedsel wordt een sterkere relatie gelegd tussen gezondheid, landschap, voedselproductie, -verwerking en -consumptie. Duurzame productie van gezond voedsel is daarbij de basis voor een gezonde levensstijl en veilig voedsel en biedt tevens een waarborg voor de internationale, vooral op Europa georiënteerde positie van de ketenpartijen. Het ligt buiten de scope van dit onderzoek, maar het verdient grote aanbeveling om de koppeling tussen voedselproductie, landschap, leefstijl en gezondheid in de toekomstige beleidsontwikkeling integraal mee te nemen. De miljarden die wij jaarlijks besteden aan gezondheidskosten kunnen hierbij sterk worden verminderd. Geld dat op een andere manier kan worden besteed, bijvoorbeeld aan de transitie van de voedselproductie en -keten.

Perspectief voor boeren

Het landelijk gebied wordt voor een groot deel beheerd door boeren. De benodigde systeemverandering is alleen mogelijk als de boeren meewerken, voldoende perspectief hebben om te kunnen produceren binnen de randvoorwaarden van de leefomgevingskwaliteit en voldoende tijd krijgen om daar naartoe te ontwikkelen. Er bestaat bij veel boeren het gevoel dat ze niet worden gewaardeerd, ondanks het feit dat ze hun best doen om aan alle maatschappelijke opgaven te voldoen die niet altijd congruent en consequent zijn, terwijl een landbouwbedrijf niet zomaar snel de bedrijfsvoering kan veranderen (grote padafhankelijkheid). 

Om de landbouw in Nederland voldoende perspectief te geven, is het beschermen van toplandbouwgronden, zoals bepleit in het vorige hoofdstuk, van groot belang. Door voor deze gronden, maar ook voor alle andere landbouwgronden in Nederland heldere doelen te formuleren, die aansluiten op de verplichtingen en normen, wordt duidelijkheid gecreëerd voor de lange termijn. Dat is waar de boeren hun voordeel mee kunnen doen.

Door gebiedsgericht te werk te gaan binnen de door ons geformuleerde stikstofplafonds wordt het doelenbeleid voor stikstof concreet. Het leidt er ook toe dat veel minder boeren forse maatregelen hoeven te treffen dan binnen het huidige generieke en piekbelastersbeleid. Dit kan alleen als er voldoende financiële middelen beschikbaar komen om een en ander te realiseren. Er zijn in de praktijk al voorbeelden waar zo’n gebiedsproces tot perspectief voor boeren leidt terwijl tegelijkertijd forse milieuwinst wordt geboekt, denk aan Schiermonnikoog waar een eigen zuivellijn opgezet wordt: vanSchier.nl

Zo ontstaat een nieuw toekomstperspectief dat leidt tot een landbouwsector waarin boeren koploper kunnen zijn in klimaatneutrale en natuur- of landschapsinclusieve productie van voedsel met een beperkt gebruik van chemische middelen, die leidt tot een aantrekkelijk landschap met een rijke biodiversiteit. Deze gezonde fysieke leefomgeving bevordert de gezondheid en het welbevinden van de mens.

Hoe komen we daar?

Heldere doelen voor de lange termijn

Veel van de grote opgaven waarvoor wij staan, komen samen in het landelijk gebied. Zoals we in hoofdstuk 3 en 4 uiteen hebben gezet, zijn er veel ambities, opgaven en strategieën die samenhangen met een groot aantal internationale verplichtingen in de vorm van doelen die in een bepaald jaar moeten worden gehaald, zoals de (tussen)doelen -55% broeikasgasemissie in 2030, 74% van de Natura 2000-gebieden beschermd tegen stikstof in 2035 en de doelen verbonden aan de Kader Richtlijn Water die in 2027 moeten worden gehaald. Daarna zijn voor 2050 de opgaven nog groter. 

We hebben de afgelopen decennia als samenleving forse economische schade geleden vanwege het niet tijdig of onvoldoende anticiperen op die internationale afspraken. Voorbeelden hiervan zijn de Superheffing en de PAS. Daarnaast heeft het PBL berekend dat de landbouwsector in Nederland verantwoordelijk is voor 6,5 miljard euro milieuschade per jaar. Als rekening wordt gehouden met de extra klimaatschade, komt daar nog ongeveer 1 miljard euro bij https://www.pbl.nl/sites/default/files/downloads/pbl-2018-monetaire-milieuschade-in-nederland-3206.pdf
. Ook uit financieel-economisch oogpunt is het dus aantrekkelijk om te werken aan een ‘ontspannen Nederland’, waarin we als land anticiperen op internationale afspraken, in plaats van ons daar telkens door te laten overvallen.

In dit toekomstperspectief nemen we de verplichtingen van Nederland als uitgangspunt en anticiperen we zo mogelijk op nieuw (EU-)beleid. Daarnaast kiezen we voor een integrale aanpak door opgaven in het landelijk gebied zoveel mogelijk in samenhang te bezien. Ze hangen immers in belangrijke mate samen. Onze inzet is een langetermijnperspectief met daarnaast ook belangrijke stappen voor de korte termijn, om uit de huidige impasse te geraken. 

Anticiperen op nieuw beleid betekent bijvoorbeeld vooruitlopen op de biodiversiteits- en klimaatdoelen en de Farm to Fork-strategie van de Europese Commissie. Dit heeft grote consequenties. Waar doelen voor 2030 wellicht nog haalbaar lijken met behulp van onder meer technologische maatregelen (zoals stalinnovaties) en incrementele verbeteringen van het huidige productiesysteem, zullen de 2050-doelen ons dwingen om nu al te werken aan een systeemwijziging. Dit laat onverlet dat er een groot verschil is tussen de verschillende gebieden, zoals aangegeven in hoofdstuk 5. In de door ons aangegeven gebieden met grote stikstofopgave is natuur- of landschapsinclusieve landbouw de meest geschikte weg. In de overige gebieden is, afhankelijk van de andere opgave, mogelijk met technologie te voldoen aan de doelen. 

Strategieën bundelen 

De rijksoverheid blinkt uit in het formuleren van strategieën, zie hoofdstuk 3. Er zijn er veel, en ze zijn vrijwel zonder uitzondering sectoraal. Ze komen veelal voort uit de koker van één ministerie en hebben lang niet altijd (volledige) financiële dekking. De strategieën raken vrijwel allemaal aan elkaar, maar worden onderling niet of onvoldoende afgestemd en zijn soms regelrecht met elkaar in tegenspraak, zoals bijvoorbeeld het Nationaal Programma Regionale Energiestrategie en de Bodemstrategie of het Realisatieplan Visie LNV. 

Wil de inzet van geld en instrumentarium effectief zijn, en willen Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen als één overheid opereren en geloofwaardig zijn voor boeren en burgers, dan moeten al deze strategieën op elkaar worden afgestemd, om synergie-effecten te benutten en perverse prikkels te voorkomen. En natuurlijk moeten de strategieën een-op-een worden gekoppeld aan nationale langetermijndoelen.

Er mist op dit moment een intelligent overkoepelend verhaal waarmee je de strategieën heel gericht kunt inzetten. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zou dat kunnen zijn, maar is nog heel abstract, met te veel vrijheden voor andere overheden, en is nog niet uitgewerkt in doelen. Hier ligt een opgave voor het Nationaal Programma voor het Landelijk Gebied (NPLG). De toekomstvisie die wij in hoofdstuk 5 hebben gepresenteerd, kan als basis dienen voor het bijeenbrengen van de verschillende strategieën voor een generieke, gebiedsgerichte aanpak voor een ontspannen landelijk gebied.

Lange termijn

Onze strategie is om de stikstofproblematiek als hefboom te gebruiken en door een korte­termijn­aanpak ruimte te creëren om tegelijkertijd de lange­termijn­aanpak voor structurele aanpassingen in de richting van een ontspannen Nederland in gang te zetten. De in het vorige hoofdstuk bepleite lange­termijn­visie sluit aan op de aan het begin van dit hoofdstuk gegeven adviezen, het in gang gezette EU-beleid en nationaal beleid gericht op kringlooplandbouw en natuurinclusiviteit, bossen, biodiversiteit, de eiwitstrategie en op het Nationaal Programma Landelijk Gebied, maar vraagt om een nadere concretisering. Concrete, geregionaliseerde doelen voor bodemgezondheid, biodiversiteit, lucht (stikstof), klimaat en landschap zijn daartoe noodzakelijk. Dit moet richting geven aan de inrichting van het landelijke gebied en de ontwikkeling van de landbouw, opererend binnen regionale kaders. Het is wenselijk om binnen Europa dezelfde duurzaamheidseisen te laten gelden.

Doelgericht beleid (in plaats van middelgericht) met beprijzing (beloningen en heffingen) van positieve en negatieve externe effecten (zoals CO2-uitstoot, ecosysteemdiensten, dierenwelzijn en gezond voedsel) zijn sleutelfactoren voor nieuwe verdienmodellen naast de ontwikkeling van nieuwe markten ook door ketenpartijen. Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s) zijn een belangrijk instrument om mee te sturen en te handhaven Zie o.a. https://www.collegevanrijksadviseurs.nl/projecten/Adviezen-publicaties/publicatie/2020/08/20/essay-jan-willem-erisman
. Daartoe is zorgvuldige en regelmatige monitoring van groot belang. Deze KPI’s dienen tevens als basis voor een beloningssysteem. 

Ook moet het instrument van ‘beprijzing’ worden ingezet voor de verduur­zaming van de consumptie, door directe belastingen te verschuiven van arbeid naar consumptie, mede als stimulans voor gezonde voeding. 

Korte termijn

Op korte termijn moet er binnen de stikstofproblematiek ruimte worden gecreëerd, lees: forse depositievermindering worden gerealiseerd op alle Natura 2000-gebieden, om de langetermijnuitvoering in gang te kunnen zetten. Hiervoor hebben wij gebieden aangewezen. Deze wens heeft ook een consortium van LTO, VNO NCW, Bouwend Nederland, Natuurmonumenten en Natuur & Milieu geïnspireerd een gezamenlijk Versnellingsakkoord te presenteren https://www.pbl.nl/publicaties/reflectie-op-het-versnellingsakkoord-stikstofemissiereductie-2021-2030f
. Dit akkoord sluit aan op onze voorstellen mits het ook inzet op de gebieden die wij aanwijzen en meer zou uitgaan van een integrale aanpak zoals hier beschreven.

Wezenlijk voor de korte termijn is om niet zozeer nieuw beleid te ontwikkelen, maar om uitvoeringskracht te organiseren en beschikbare instrumenten te gebruiken. Uitvoering van beleid in de regio vraagt om integraliteit. Die is vanuit sectoren lastig te organiseren. Het Rijk moet daarin het voortouw nemen. 

Wij stellen de volgende aanpak voor (figuur 6.2). 

— figuur 6.2 — Aanpak

Algemene doelen en verplichtingen vertalen in plannen die op korte termijn stikstofruimte creëren als aanjager voor een structurele aanpak van (inter)nationale opgaven.

Aangezien op korte termijn alleen stikstofruimte kan worden gerealiseerd met bestaand instrumentarium, is het inzetten op dier- en fosfaatrechten het effectiefst. Bij opkoop van bedrijven door de overheid is geen sprake van staatssteun; dit is al getoetst bij de Europese Commissie. Niet-grondgebonden bedrijven kunnen daardoor worden opgekocht en de dierrechten en fosfaatrechten uit de markt worden gehaald. Moeilijker is het bij het extensiveren van grondgebonden bedrijven. Grond kan worden afgewaardeerd door de bestemming ervan om te zetten van agrarisch naar natuur. De vergoeding voor de afwaardering kan worden gekoppeld aan voorwaarden van extensivering en bijvoorbeeld aan het afromen van fosfaatrechten. Onderzocht moet worden of de opkoop van fosfaatrechten voor een deel van het bedrijf ook de staatsteuntoets kan doorstaan. Wellicht is hierover onderhandeling met de Europese Commissie nodig. Op Schiermonnikoog is dit een groot obstakel gebleken https://www.lc.nl/friesland/schiermonnikoog/De-zeven-boeren-van-Schiermonnikoog-willen-samen-de-toekomst-van-het-eiland-en-zichzelf-veilig-stellen-zo-doen-ze-dat-26189317.html
. De Rabobank wil een grondfonds oprichten, het Herallocatiefonds, dat gebiedsprocessen in de landbouw kan versnellen https://www.google.com/url?sa=t&rct=j&q= &esrc= s&source=web&cd=&ved= 2ahUKEwiBrZ7G2aDxAhWJ2 hQKHaD1CRcQFjAAegQIAxAF &url=https%3A%2F%2Fwww.klimaatakkoord.nl%2Fbinaries%2Fklimaatakkoord%2Fdocumenten%2Fpublicaties%2F2021%2F01%2F15%2Fpresentatie-rabobank-ruimte-maken-voor-nieuw-bos%2F20201210%2BHerallocatiefonds%2Bpresentatie.pdf&usg=AOvVaw1Kariklby WJMLIXXOmqTjY
.
Tot slot is er recent een omschakelfonds in het leven geroepen, gericht op bedrijven die hun bedrijfsvoering willen extensiveren en daar investering voor nodig hebben. Er moet worden onderzocht hoe dit fonds op korte termijn kan worden ingezet voor de gerichte stikstofreductie en tegelijkertijd kan worden ingezet voor andere opgaven, zoals beschreven in hoofdstuk 5. 

Kosten en baten

Op basis van de globale maatschappelijke kosten-batenanalyse van Roel Jongeneel en Krijn Poppe, die is opgenomen in het verdiepingshoofdstuk Economie, gaan wij ervan uit dat er jaarlijks een bedrag van 1,5 tot 2 miljard euro nodig is in de komende tien jaar om handen en voeten te geven aan onze voorstellen voor ruimtelijke ontwikkeling en doelrealisatie. Dit bedrag is nodig zolang de maatschappelijke baten nog niet zijn gekapitaliseerd om een deel van de kosten te kunnen dekken. Poppe en Jongeneel schatten in dat de maatschappelijke baten (€ 3,4 miljard/jaar) hoger zijn dan de kosten voor de boeren en de agro-keten (€ 1,9 miljard). De maatschappelijke baten bedragen dus netto € 1,5 miljard/jaar. Dit zijn indicatieve bedragen die een gevoel moeten geven over de financiële balans in kosten en baten. Hiervoor zijn natuurlijk bepaalde aannamen gedaan, die uiteindelijk anders kunnen uitpakken. Zie verder het verdiepingshoofdstuk Economie.

Dit toekomstperspectief ‘Naar een ontspannen Nederland’ zou kunnen worden bereikt door een forse overheidsinspanning om de circa € 1,5 miljard maat­schap­pelijk batig saldo te realiseren. Dat kan door een geïntegreerde aanpak, waarin piekbelasters worden uitgekocht, bedrijven worden getransformeerd naar natuur- en landschapsinclusieve bedrijven met zeer beperkte emissies, gronden worden afgewaardeerd in ruil voor een extensiverings­verplichting, of waarvan het gebruik, via een 25-jarig contract voor eco-systeemdiensten, wordt geëxtensiveerd. 

Creëren van nieuw perspectief

De coronacrisis heeft ons geleerd dat een succesvolle aanpak van een maatschappelijke crisis in belangrijke mate wordt bepaald door leiderschap, gerichte innovatie en inzet van geld. Naast de coronacrisis zijn er andere grote maatschappelijke opgaven die een vergelijkbare aanpak vergen, zoals de klimaat-, stikstof-, biodiversiteit- en woningbouwcrisis (zie hoofdstuk 4). Naast leiderschap voor het oplossen van de crises, is ook een vorm van transitie­sturing nodig die naast stimuleren van innovaties en nieuwe werkwijzen ook is gericht op afbraak/ontmanteling van bestaande structuren. Dat laatste wordt vaak vergeten https://drift.eur.nl/app/uploads/2016/12/To_Transition-Loorbach-2014.pdf
.

Zowel bij boeren als bij burgers en bedrijven is er veel onvrede over de ontwikkelingen in het landelijk gebied en binnen de landbouw. Bij velen bestaat de nadrukkelijke wens om daarin met behulp van coherent overheidsbeleid perspectief en verandering te brengen. Perspectief en verandering die passen in de mondiaal afgesproken sociaal-maatschappelijke opgaven (Sustainable Development Goals) en aansluiten op Europees beleid (onder andere klimaat, biodiversiteit, Green Deal en Farm to Fork). En die in wetgeving zijn vastgelegd met duidelijke normen (onder andere Klimaatwet, Stikstofwet, Kaderrichtlijn Water, nieuwe natuurwet). 

Er is behoefte aan een perspectief dat leidt tot een gezonde fysieke leefomgeving die de gezondheid en het welbevinden van de mens bevordert en een aantrekkelijk en leefbaar platteland dat van grote betekenis is voor de grootstedelijke samenleving en de diensteneconomie die ons land zo typeren. 

Concrete stappen

Beleidsbepalende uitgangspunten

In hoofdstuk 3 hebben we aangegeven dat de NOVI drie leidende principes kent, die weliswaar zeer relevant zijn, maar onvoldoende om tot een concrete aanpak te komen. Voor het in de praktijk brengen van de visie die wij schetsen, stellen wij de volgende additionele uitgangspunten voor die tezamen randvoorwaardelijk zijn voor het beleid om ondernemers en beheerders langetermijnzekerheid te bieden om te kunnen investeren en ondernemen: 

Zet de kwaliteit van de leefomgeving en de normen daarvoor centraal (waarden, internationale verplichtingen, opgaven en wensen).

Gezien de complexiteit is een systeembenadering nodig en moet de nadruk liggen op integraliteit. Heldere doelen, onderling goed afgestemd en gebonden aan bepaalde termijnen zijn hiervoor leidend. Doelen moeten, voor zover mogelijk en nuttig, worden geregionaliseerd om als uitgangspunt te dienen voor gebiedsprocessen.

De verdeling van de schaarse ruimte in het landelijk gebied vraagt om een herinrichting onder leiding van het Rijk, met een nationaal ruimtelijk ontwikkelingsplan met kaderstellende doelen. De uitvoering daarvan kan grotendeels worden gedaan door decentrale overheden, maatschappelijke organisaties en private partijen. 

De basis voor beheer en gebruik van grond zijn de biodiversiteit en bodemgezondheid. Functie volgt bodem, niet alleen binnen de landbouw, maar ook breder in de ruimtelijke ordening, aangevuld met ordenende principes op het gebied van water en landschap binnen de kaders van de stikstof-aanpak. En dat alles passend binnen de milieugebruiksruimte (leefomgevingkwaliteit). Een gezonde bodem is een voorwaarde voor het veiligstellen van gezond en veilig voedsel, nu en op de lange termijn. Bestem goede landbouwgrond voor landbouw en geef daarop bijvoorbeeld geen ruimte voor industrie en logistiek. 

Bij de herinrichting moet worden aangesloten op de culturele waarden en de sociaal-economische potentie van de regio, zowel in algemene zin als voor boeren en andere landgebruikers, een breed welvaartsperspectief. Concre­tisering moet plaatsvinden, die past bij de mensen in een streek en bij de daar geldende cultuur. Daar zijn mensen gebonden aan hun omgeving en bereid er energie in te steken, en daar is maatwerk voor nodig.

Organiseer de uitvoering los van de politiek, voor de lange termijn aangestuurd en met voldoende middelen voorzien.

De omvang van de productie is geen doel op zich. Het gaat om de waarde ervan in de brede betekenis van gezond voedsel, bodem- en landschaps­kwaliteit en biodiversiteit.

Deze uitgangspunten sorteren voor de verschillende gebieden de meest kansrijke en duurzame ontwikkelingen uit. Dat leidt op gebiedsniveau tot een landschappelijke invulling, waarbij in de ene regio voedselproductie binnen gestelde regionale doelen voor biodiversiteit, natuur en landschap centraal staat (zie ook hoofdstuk 5). In andere regio’s zal meer sprake zijn van multifunctionele bedrijven met een breed scala aan maatschappelijke doelen en hogere vergoedingen voor groenblauwe diensten. Zo kan ook de noodzakelijke omslag worden bereikt van sturing via middelen naar sturing op langetermijndoelen en ontstaat ruimte en duidelijkheid voor ondernemerschap. Zo ontstaat ook voldoende ruimte voor landschapskwaliteit, natuur en biodiversiteit. Dit alles vergt een coherente en standvastige rol van de overheid met aandacht en maatregelen voor zowel de aanbod- als de vraagzijde bij landbouw, voedsel, natuur en gezondheid. Met wettelijk geborgde langetermijndoelen. Het vergt ook nieuwe verdienmodellen en bijvoorbeeld hogere vergoedingen voor water- en natuurbeheer of koolstofvastlegging om de omschakeling naar productie passend binnen de doelen mogelijk te maken.

Instrumenten

Bij dit toekomstperspectief hoort een aantal instrumenten van de rijksoverheid dat nodig is om deze doelen te kunnen realiseren en al op korte termijn kan worden ingezet:

Een Stikstof- of transitiefonds gevuld met geld vanuit overheid en bedrijfsleven voor het nemen van maatregelen, vooral daar waar de stikstofdepositiewinst het grootst is (zie hoofdstuk 2) en waar tegelijkertijd andere doelen worden gehaald. Het doel hiervan is om de omslag in de bedrijfsvoering en extensivering mogelijk te maken met innovatieve oplossingen in plaats van ‘end of pipe’-technologie. Technologie kan hierbij ondersteunend zijn, maar vanuit de motivatie om investeringen ten goede te laten komen aan meerdere opgaven, zijn natuur- en landschapsinclusieve landbouw de gewenste ontwikkelingsrichtingen. Het fonds moet hier sturend in werken en gekoppeld zijn aan bijvoorbeeld dier- en fosfaatrechten. 

Een nationale Grondbank die nodig is om knelpunten in de gebiedsontwikkeling op te lossen. Een grondbank faciliteert de aankoop en uitgifte van gronden voor de landbouw. Andere gronden kunnen ook via de grondbank worden ingezet voor gebiedsontwikkeling via de bossenstrategie, natuurinclusieve landbouw, natuur, et cetera. Hierbij kan worden aangesloten bij private initiatieven als het Herallocatiefonds van de Rabobank, maar ook burgerinitiatieven als Aardpeer https://www.aardpeer.nl
en Land van Ons. https://landvanons.nl

Een door de overheid geregisseerde gebiedsgerichte aanpak (‘Landinrichting 3.0’) met inzet van een planologisch instrument om via co-creatie binnen de geregionaliseerde wettelijke doelen en juridisch getoetst ruimtelijke claims in te passen, goede gronden voor landbouw te bestemmen en andere gronden extensiever of voor meer multifunctioneel gebruik in te zetten. Ook biedt een gebiedsgerichte aanpak de kans om via ruimtelijk ontwerp te komen tot landschappelijke kwaliteit en tot het waarderen van gebieden. Voorts kan aldus ook een gerichte en goed verdeelde invulling van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) per regio ontstaan om de transitie naar een natuur- of landschapsinclusieve landbouw te bevorderen. Voor deze gebiedsgerichte aanpak kan bijvoorbeeld het 4-returnsmodel van Commonland https://www.commonland.com/4-returns/
 als inspiratiebron dienen. 

Een krediet- en garantieregeling om boeren te ondersteunen bij de financiering van de omschakeling naar duurzame landbouw, bijvoorbeeld via een Borgstellingsfonds. Dit dient het aantrekken van risicodragend kapitaal voor nieuwe bedrijfssystemen te faciliteren en huidige bedrijfssystemen te helpen bij het verduurzamen door tijdelijke overname van risico’s en/of door lagere financieringslasten. Een van de grootste obstakels voor omschakeling van bedrijven naar een natuur- of landschapsinclusieve landbouw zijn de (te) hoge financieringslasten.

Waardering en beprijzing (na omschakeling) van positieve en negatieve externe effecten van onder andere CO2, ecosysteemdiensten en voedselveiligheid (internationaal en waar mogelijk nationaal) om zowel de productie als de consumptie van de juiste impulsen te voorzien, alsook duurzame productie een beter ‘level playing field’ te bieden. Opzet van een systeem voor verhandelbare (emissie)rechten (CO2 en/of stikstof) dat integrale oplossingen aanstuurt vanuit de markt. 

Beloningen en heffingen om de verduurzaming van de consumptie te stimuleren, bijvoorbeeld door belastingen te verschuiven van arbeid naar consumptie en daarin ook de milieu- en gezondheidseffecten mee te wegen.

Introductie van een digitaal dashboard voor boeren ter ondersteuning van management en monitoring van resultaten via een KPI-systematiek (Kritische Prestatie-Indicatoren) https://www.universiteitleiden.nl/nieuws/2020/11/jan-willem-erisman-in-tijdschrift-milieu-stikstofprobleem-weerspiegelt-worsteling-met-alle-milieudilemmas;
. Met deze vorm van duurzaamheidsverslaggeving kunnen boeren hun aanspraken op beloning voor geleverde prestaties onderbouwen. Daarin kan een afrekenbare stoffenbalans worden opgenomen, waarmee veel van de middelwetgeving kan vervallen. Een onafhankelijke publiek-private organisatie moet ervoor zorgen dat boeren beheer over hun data kunnen voeren, zie bijvoorbeeld Joindata of Agriplace https://www.agriplace.com/
.

Het versterken van onafhankelijk onderzoek en objectieve voorlichting aan boeren, ondersteund door adequate monitoring. 

Verplichtingen als kaders

Overheden moeten op alle niveaus inzetten op verbetering van de leefom­geving en ervoor zorgen dat de Omgevingswet gaat leiden tot kwaliteits­verbetering en herstel door te eisen dat ‘per saldo’ kwaliteits­verbetering van de leefomgeving wordt gerealiseerd. Bij de invoeringsbegeleiding en toepassing van de Omgevingswet moet erop worden toegezien dat er niet alleen oog is voor ‘eenvoud’ en een ‘tick the box’-praktijk, maar dat ook daadwerkelijk ‘waardecreatie’ (meerwaarde voor de leefomgeving) wordt gewaarborgd voor het halen van natuur- en milieudoelen. 

Overheden zullen veel beter moeten samenwerken en onderling moeten afstemmen en het Rijk zal meer regie moeten gaan voeren in visie, recht, beleid en uitvoering om zich ervan te verzekeren dat ons land zijn verplichtingen nakomt. Naleving van internationaal en EU-recht mag niet afhankelijk zijn van een onzekere optelsom van inzet van zoveel overheden.

Daarnaast is het nodig om nu al anticiperen op toekomstige verplichtingen, zoals de natuurbeschermingsrichtlijnen en zeker ook de Kaderrichtlijn Water. Met het oog op sociaal-economische belangen moet niet alleen worden gevreesd voor op ‘op-slot-situaties’ voor nieuwe vergunningverlening. Ook bestaande vergunningen komen steeds meer ter discussie te staan, vooral vanwege de voortgaande verslechtering. Uiteindelijk heeft de hele maatschappij belang bij het gaan halen van de doelen, zowel ten behoeve van de intrinsieke waarde van natuur en landschap, als de vele ecosysteemdiensten die de natuur ons levert. Het is niet voor niets dat we de verdragen ondertekend hebben en verplichtingen uit EU-beleid zijn aangegaan. Zet daarom niet alleen in op ‘damage control’ maar maak grote stappen voor actief herstel en het daadwerkelijk gaan halen van de doelstellingen.

Monitoring en sturing

Monitoring van resultaten kan plaats vinden via de KPI-systematiek met het hierboven genoemde digitale kringloopdashboard. De KPI’s tellen op binnen regionaal en nationaal niveau zodat gevolgd kan worden of de doelen worden gehaald https://www.wur.nl/nl/Onderzoek-Resultaten/Onderzoeksprojecten-LNV/Expertisegebieden/kennisonline/KPIs-kringlooplandbouw.htm
. Belangrijk is volledige digitalisering van administratieve stromen, gekoppeld aan (open) satellietdata en sensornetwerken. Strenge sancties en adequate uitvoering en controle vanuit de keten en de overheid zijn onmisbaar. Monitoring en sturing zal ook moeten plaatsvinden in andere onderdelen van het voedselsysteem, zoals bij het aanbod van gezond en vers voedsel in supermarkten, reclame op ‘lege’ calorieën en voedselomgeving. De kwaliteit van het landschap, in brede zin, kan worden gemonitord met de Monitor Landschap https://www.monitorlandschap.nl/
.

Draagvlak, bestuur en regie

De overheid moet inzetten op een breed gedragen, landelijk langetermijn­akkoord binnen het eerste jaar van de nieuwe regeerperiode https://www.ser.nl/nl/Publicaties/toekomstperspectieven-landbouw
. Op rijksniveau worden de doelen en kaders voor ruimtelijke ordening vastgesteld en samen met de provincies geregionaliseerd. De provincies zorgen vervolgens voor de uitvoering. Zelforganisatie en co-creatie tussen maatschappelijke actoren worden beloond. Burgerinitiatieven en boer-burgerdialogen waaronder G1000Landbouw zullen als belangrijk middel voor richting, draagvlak en verbinding worden ingezet. Het akkoord geeft boeren in hun rol als verbinder in het landelijk gebied de zekerheid om te ondernemen en verantwoord te investeren. Natuur, landschap en biodiversiteit kunnen zich gaan herstellen en de leefomgeving voor de burger wint zichtbaar aan kwaliteit. Het nieuwe kabinet kan op basis van dit akkoord vervolgens wetgeving (GLB, NOVI, Milieuwetgeving et cetera) synchroniseren en in lijn brengen met de aangescherpte doelen en uitgangspunten. 

Gaan we de doelen halen?

Door de stikstof-, klimaat- en waterdoelen centraal te stellen en de juiste instrumenten, middelen en voldoende uitvoeringscapaciteit te organiseren, nodigen wij uit tot een systeemverandering in de landbouw in Nederland met ruim voldoende perspectief. Daarbij zullen we anders moeten gaan denken en handelen. Zo zullen de gebiedskarakteristieken meer centraal en richtinggevend moeten worden en moet Toplandbouwgrond voor landbouw behouden blijven. In andere gebieden zijn meerdere functies voor de landbouw weggelegd, zoals landschap en natuuronderhoud, het leveren van allerlei (betaalde) diensten als koolstofopslag, schoonwater, recreatie, et cetera. In deze gebieden kan invulling gegeven worden aan de bossenstrategie, duurzame energieproductie, recreatie en natuur. Versterking van de sociaal-maatschappelijke interacties in het landelijk gebied zorgen voor meer integratie van de landbeheerders en hun omgeving. Op deze manier creëren we op korte termijn ruimte en winnen we wat tijd om op de langere termijn door een structurele aanpak aan de meeste doelen te voldoen.

De stikstof-, klimaat- en waterdoelen zijn voor de lange termijn richtinggevend voor veel andere opgaven in het landelijk gebied. Het halen hiervan kan alleen als je in die gebieden waar de opgave heel groot is de landbouw omzet tot passende productieniveaus, wat alleen via natuur- of landschapsinclusieve landbouw kan, omdat dan de andere doelen meelopen. Dit moet goed gemonitord worden en kan op voorhand ook nader onderzocht worden. De hier gepresenteerde benadering voor de korte en lange termijn vormt een goede basis om als nieuw kabinet direct mee aan de slag te gaan. Tegelijkertijd kan de methode verder uitgewerkt worden om de keuzen beter te kunnen onderbouwen en de kaders voor gebieden te ontwikkelen. 

Wat moet de nieuwe regering doen?

De nieuwe regering moet een plan maken voor een maatschappelijk breed gedragen langetermijnakkoord dat binnen het eerste jaar van de nieuwe regeerperiode bovengenoemde aanpak verder uitwerkt. Op rijksniveau worden de doelen en kaders voor ruimtelijke ordening vastgesteld en samen met de provincies geregionaliseerd. Vervolgens zorgen de provincies voor de uitvoering met inachtneming van sociaal-maatschappelijke, culturele en economische factoren. Het nieuwe kabinet kan op basis van dit akkoord vervolgens wetgeving (Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, NOVI, Milieuwetgeving et cetera) synchroniseren en in lijn brengen met de aangescherpte doelen en uitgangs­punten. Het is hierbij essentieel om een krachtige uitvoeringsorganisatie in het leven te roepen, aangestuurd door een Landschaps­commissaris (analoog aan de Deltacommissaris), met voldoende middelen. Zonder een dergelijke, op de lange termijn gerichte, stevige uitvoeringskracht (denk aan 20-30 jaar) is de kans op terugval in kortetermijndenken en -handelen te groot.

Belangrijke actiepunten zijn:

— Zet concrete stappen voor de oplossing van de stikstofcrisis om te ontsnappen uit het juridische moeras. Stel daarbij de natuurkwaliteit en instandhoudingsdoelen centraal. Meer concreet: stop verslechtering, neem dreiging van verslechtering weg en geef aan hoe de KDW en in het verlengde daarvan de Natura 2000-doelen gehaald gaan worden.
— Pak dit integraal aan: klimaat, water, landschap, plattelandsontwikkeling en perspectief voor de boer.
Volg daarbij een doelenbeleid en stap af van middelvoorschriften. Zorg dat dit ook juridisch houdbaar is.
— Ga veel sterker uit van de bodem en het watersysteem als gezamenlijke onderlegger voor omgevingsbeleid. 
— Maak een flink budget vrij voor de omschakeling en het compenseren van marktfalen door vergoeding van diensten die de landbouw levert. Vanuit verschillende benaderingen wordt hiervoor ingezet op € 2 miljard/jaar over 10-15 jaar.
— Werk vooral in gebiedsprocessen samen met verschillende stakeholders, gefaciliteerd door de overheid en binnen duidelijke kaders.
— Zorg voor de juiste instrumenten die stimulerend werken en integraal sturen via Kritische Prestatie-Indicatoren (KPI’s).