3. Grote opgaven en transities

Nederland staat voor een aantal complexe, urgente maatschappelijke vraagstukken. Het gaat onder andere om het opvangen van de gevolgen van klimaatverandering, de overstap naar hernieuwbare energie, het nijpende woningtekort, de verduurzaming van de landbouw en een aanzienlijke uitbreiding van het natuurareaal. Stuk voor stuk opgaven die niet alleen impact hebben op onze leefstijl, maar ook op ons landschap. Ze leggen een stevige claim op de schaarse en intensief gebruikte ruimte in ons dichtbevolkte land. 

In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) worden deze opgaven benoemd en worden enkele afwegingsprincipes voor ruimtelijke keuzen geschetst, alsmede de contouren van een vervolgproces (sectorale en gebiedsgerichte uitwerkingen). De NOVI laat evenwel veel inhoudelijke keuzen open en biedt nog onvoldoende regie op de uitvoering van het voorgestane beleid. Recentelijk zijn twee adviezen verschenen die de noodzaak van een ruimtelijk plan onderstrepen: ‘Kiezen én delen’ van de Studiegroep ruimtelijke inrichting landelijk gebied https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2021/05/12/­studiegroep-ruimtelijke-inrichting-landelijk-gebied-kiezen-en-delen
 en ‘Van woorden naar daden’ van het IBO-RO https://www.rijksoverheid.nl/documenten/­kamerstukken/2021/05/12/aanbieding-rapport-van-woorden-naar-daden-over-de-governance-van-de-ruimtelijke-ordening

Hier schetsen we een kort overzicht van de vele visies, ambities, strategieën en regionale opgaven om aan te geven dat we niet in staat zijn om aan alle opgaven te voldoen, wat leidt tot stressvolle situaties daar waar tegengestelde belangen elkaar ontmoeten en steeds meer voor de rechter worden uitgevochten.

Visies, ambities en doelen

Er zijn veel nationale visies, programma’s en beleidsvoornemens die een breed palet aan maatschappelijke opgaven verkennen en richting proberen te geven aan beleid. Hierin worden ambities en doelen genoemd die de kaders schetsen waarbinnen we zouden moeten werken aan de eerdergenoemde opgaven. Voor een deel zijn de hier genoemde voorbeelden gestoeld op internationale afspraken en verplichtingen, ook al is dat soms niet expliciet aangegeven. En ook al zijn deze doelen en ambities niet altijd apart vastgelegd in (inter­nationale) wetgeving en dus ook niet direct afrekenbaar, vrijblijvend zijn ze zeker niet. We stippen er hier een aantal aan. In hoofdstuk 4 gaan we nader in op de verschillende internationale verdragen waaraan we aan moeten voldoen.

Nederland heeft de SDG’s (Sustainable Development Goals) onderschreven, net als alle andere landen die zijn aangesloten bij de Verenigde Naties (VN) De status van SDG’s komt het dichtst bij een morele politieke verplichting, maar wel met juridische relevantie vanwege de directe relatie met de doelen en verplichtingen van bestaande verdragen en met internationale en nationale politieke controle door o.a. rapportages over de voortgang van implementatie. De SDG’s zijn vastgesteld in het kader van de VN en Nederland heeft expliciet uitgesproken de doelen in 2030 te willen realiseren. Zie de Kamerbrief uit 2016, beschikbaar op https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-26485-232: ‘Nederland heeft de ambitie en streeft ernaar alle door de regeringsleiders van de lidstaten van de Verenigde Naties vastgestelde Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDGs) in 2030 te behalen’.
. De Monitor Brede Welvaart, waarin het CBS beschrijft hoe de welvaart zich in de brede zin van het woord in Nederland ontwikkelt, bevat sinds kort ook de meest recente cijfers over de voortgang en Europese positie van Nederland voor de 17 duurzame ontwikkelingsdoelen.

Op Europees niveau is de Green Deal https://ec.europa.eu/info/strategy/priorities-2019-2024/european-green-deal_en
van groot belang, met als belangrijk onderdeel daarvan de Farm to Fork-strategie https://ec.europa.eu/food/horizontal-topics/farm-fork-strategy_en
. De Green Deal streeft ernaar dat Europa het eerste klimaatneutrale continent wordt. De Farm to Fork-strategie is een veelomvattend programma om de Europese voedsel­keten van de boer tot aan het bord van de consument te verduurzamen en de impact van de voedselproductie op het milieu en het klimaat te verminderen.

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de afgelopen jaren ontwikkeld met de vele daarmee samenhangende en vaak interdepartementale programma’s, zoals het Nationaal Programma voor het Landelijk Gebied (in ontwikkeling), het Nationaal Programma Energiehoofdstructuur, Programma Nederland Circulair 2050, Deltaprogramma Zoetwater, Programma ONS landschap (in ontwikkeling), Programma landbouwbodems, Programma versterken biodiversiteit en het Programma bodem en ondergrond. Naast de NOVI werken provincies aan POVI’s en gemeenten aan GOVI’s.

Er zijn vele departementale visies en strategieën, zoals de LNV-visie Waardevol en verbonden, waarin wordt ingezet op kringlooplandbouw, die richtinggevend zijn voor de landbouwtransitie en het gebruik van de bodem, net als de Nationale eiwitstrategie en de Bodemstrategie. De Bossenstrategie van het Rijk en provincies benoemt ambities voor de realisatie van meer bos. En natuurlijk als uitwerking van het klimaatakkoord van Parijs: het Klimaatakkoord en de Nationale Klimaatadaptatiestrategie.

Naast beleidsvisies en strategieën van de rijksoverheid zijn er ook programma’s en strategieën die afkomstig zijn uit bepaalde regio’s – denk aan het Aanvalsplan Grutto – of waarin niet-overheden een grotere rol spelen dan overheden – zoals het Deltaplan Biodiversiteitsherstel – of die zijn uitgewerkt door bepaalde sectoren of belangenorganisaties, zoals de Sectorplannen verduurzaming veehouderij of de Marktvisie van Bouwend Nederland. 

Er zijn kortom ambities genoeg, maar vaak ontbreekt de focus, de onderlinge afstemming en de integraliteit. Niet zelden werkt het beleidsstuk van het ene departement het beleid van het andere tegen en worden perverse prikkels gegeven. In ‘Kiezen én delen’ worden hiervan diverse voorbeelden genoemd https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2021/04/30/kiezen-en-delen
. Voor een daadkrachtige aanpak van de opgaven is die focus onontbeerlijk.

Grote regionale verschillen

De lijst visie- en ambitiedocumenten is eindeloos lang en het perspectief varieert van een meer integrale afweging van de opgaven tot een sterk sectorale bril, waarin slechts één opgave centraal staat. De verschillen in invalshoeken, wetgeving, bevoegdheden en aansturing leiden vaak tot verwarring, vertraging en soms tot ecologische, economische en maatschappelijke schade. En ze geven onvoldoende duidelijkheid voor ondernemers die willen investeren voor de lange termijn. Daar komt nog bij dat de opgaven én ruimtedruk allerminst gelijk verdeeld zijn over Nederland. Er zijn grote regionale verschillen. Er zijn groei- en krimpgebieden, gebieden met een tekort aan werknemers en met grotere werkeloosheid. De woningbehoefte is het grootst in de Randstad, terwijl in de oostelijke en noordelijke provincies meer ruimte is. Op de hoge zandgronden en in het veen is meer sprake van droogte en is het noodzakelijk om water vast te houden. Wateroverlast neemt toe in gebieden met verdichte bodems, een probleem dat vooral speelt op de kleigronden van laag Nederland. In de kustzones in het noorden en zuidwesten is bovendien sprake van toenemende verzilting. In stedelijke gebieden en in gebieden met concentratie intensieve veehouderij is de luchtverontreiniging hoog. In het stedelijk gebied is bovendien meer lichtvervuiling en geluids­overlast. Veenoxidatie in veenweidegebieden gaat gepaard met CO2-emissies die een grote impact op het klimaat hebben en veroorzaakt bovendien bodemdaling, waardoor er veel schade optreedt door verzakking.

Gebiedsgericht, maar met nationaal en integraal afwegingskader

Deze grote verschillen tussen regio’s maken dat voor oplossingen gebiedsgerichte, regionale benaderingen het best zullen werken, maar wel vanuit een nationale regie en een nationaal en integraal afwegingskader, of vanuit een nationaal afwegingskader waarvan een integrerende werking uitgaat en waarbij de nationale overheid stuurt op samenhang. (Inter)nationale doelen zijn hierbij wat ons betreft leidend. Maar dat vraagt wel aanscherping van de doelen die nu vaak onvoldoende concreet zijn. Soms lijken doelen helder, maar blijken ze moeilijk regionaal te vertalen. Zo is het Klimaatakkoord een voorbeeld van een ambitiedocument met vrij concrete doelen: ‘de CO2-uitstoot moet in 2030 met 49% verminderd zijn vergeleken met 1990’. De Europese Commissie heeft recentelijk die ambitie verhoogd naar 55%. In 2050 moet de uitstoot van broeikasgassen met 95% afgenomen zijn. Dit heldere doel moet echter nog wel regionaal worden vertaald, geconcretiseerd en meetbaar worden gemaakt om operationeel te worden. In hoofdstuk 6 gaan we nader in op een doelenbeleid.

Afwegingsprincipes en heldere keuzen

Een goed integraal afwegingskader heeft naast concrete doelen ook duidelijke afwegingsprincipes nodig die helpen om richting te geven aan de keuzen die we maken. De NOVI benoemt er drie:

1  Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies
2  Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal
3  Afwentelen wordt voorkomen.

Deze afwegingsprincipes zijn heel helder, maar in de praktijk geven ze toch onvoldoende handvatten om goede keuzen te maken over wat we waar doen. Bovendien bieden deze principes geen enkele waarborg voor de naleving van de inter­nationale en EU-verplichtingen. Veel van de opgaven, en dus ook de keuzen die we moeten maken, hangen nauw met elkaar samen. Een krachtiger en concretere NOVI zou borg moeten staan voor de naleving van de internationale verplichtingen en een integrale aanpak van de grote opgaven. We hebben immers niet het geld, noch de ruimte en de tijd om alle opgaven sectoraal aan te pakken. Het is daarom van groot belang dat de NOVI verder wordt geconcretiseerd. 

De verstedelijkingsopgave is aanzienlijk en concentreert zich binnen het Stedelijk Netwerk Nederland, met als kern het brede midden van Nederland (grofweg de Randstad met aangrenzende stedelijke regio’s zoals Zwolle, Arnhem-Nijmegen en de Brabantse stedenrij, zie figuur 3.2) en uitlopers naar plaatsen als Groningen, Leeuwarden, de Twentse steden, Maastricht en Middelburg. Deze ontwikkeling moet wat de NOVI betreft zoveel mogelijk in bestaand stedelijk gebied plaatsvinden, klimaatbestendig en natuurinclusief. Er is ook een aanzienlijke behoefte aan nieuwe werklocaties. Het is wat de NOVI betreft de bedoeling dat wonen en werken zoveel mogelijk in elkaars nabijheid worden ontwikkeld. Binnensteden en gebieden nabij knooppunten van openbaar vervoer (ov) hebben daarbij de eerste voorkeur, daarna gebieden elders in het stedelijk gebied, vervolgens aanvullende verstedelijkingslocaties aan de rand van het stedelijk gebied met een goede (ov-)bereikbaarheid, en ten slotte locaties elders binnen de regio, ook met een goede bereikbaarheid. Wij zien dat het beperken van woon-werkverkeer gerealiseerd kan worden door woningbouw te realiseren in de nabijheid (< 10km) van voldoende werkgelegenheid en voorzieningen.

Voor het aantal woningen dat nog moet worden gebouwd, lopen de ramingen nogal uiteen. Tot 2040 kan dat variëren tussen 300 duizend en 1,3 miljoen nieuwe woningen https://www.pbl.nl/sites/default/files/downloads/pbl-2021-wonen-na-de-verkiezingen-4613.pdf
.

Waar die woningen uiteindelijk zullen landen, is nog onderwerp van debat. Het PBL hanteert daarvoor drie scenario’s: ‘dichtbij’, ‘verbonden’ en ‘ruim’ https://www.pbl.nl/publicaties/grote-opgaven-in-een-beperkte-ruimte
. Voor het landelijk gebied hebben vooral de laatste twee scenario’s een aanzienlijke impact.

Klimaatadaptatie is van groot belang voor de toekomst om hitte, droogte en wateroverlast te voorkomen. Veel sectoren krijgen hiermee te maken en het heeft gevolgen voor zowel de landelijke als de regionale infrastructuur en beheer. Het vergt landelijke (her)inrichting van waterwegen om voldoende water te kunnen afvoeren en vasthouden. Bij het programma ‘Ruimte voor de rivier’ is aangetoond dat dit kan samengaan met meer ruimtelijke kwaliteit en de ontwikkeling van natuur- en recreatiegebieden. De bodemkwaliteit in het landelijk gebied moet worden verbeterd om meer water te kunnen vasthouden, zodat droogtestress kan worden voorkomen. Het begint bij een robuust bodem- en watersysteem (zie figuur 3.3). Veel van de opgaven waar we nu voor staan, zijn extra groot doordat we het bodem- en watersysteem in het verleden onvoldoende in acht hebben genomen. Met het klimaatadaptiever maken van het landelijk gebied kunnen tegelijkertijd ook andere doelen worden gerealiseerd, zoals een duurzamer, robuuster en biodiverser bodem- en waterbeheer. 

Voor de energietransitie is het benodigde ruimtebeslag sterk afhankelijk van de te volgen koers. De Regionale Energie Strategieën (RES) zoeken naar een combinatie van de productie van windenergie en zonne-energie. Waar het Nationaal Programma RES streeft naar een 50/50-verhouding tussen zon en wind, komen de RES’en nu uit op een verhouding 80/20 zon/wind (zie figuur 3.4). Dat heeft grote consequenties voor het ruimtebeslag voor andere functies in het landelijk gebied. Als Nederland blijft doorgaan met het bieden van ruimte voor zonne-energiecentrales op landbouwgrond, zal het ruimtebeslag aanzienlijk zijn. Als een alternatieve koers wordt gevolgd, zoals onder andere bepleit in ‘Via Parijs’ https://www.collegevanrijksadviseurs.nl/adviezen-publicaties/publicatie/2019/10/17/via-parijs
, dan hoeft de energieproductie niet of nauwelijks ten koste te gaan van landbouwgrond.

Om de kringlooplandbouwvisie die in 2018 is geïntroduceerd https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-landbouw-natuur-en-voedselkwaliteit/visie-lnv
te kunnen realiseren, ligt er een behoorlijke opgave voor de landbouw en de agroketens. De afgelopen decennia nam het areaal landbouwgrond volgens het CBS elke dag af met 8 hectare, ten gunste van andere functies https://www.clo.nl/indicatoren/nl0060-bodemgebruik-in-nederland#:~:text =Tussen%201996%20en%202015%20is,bos%20(groene%20ruimte)%20afgenomen
. De verwachting is dat de afname van het landbouw­areaal zal versnellen. Voor de verduurzaming van de landbouw is echter eerder méér grond nodig dan minder; verduur­zaming gaat immers gepaard met extensivering, meer eiwit van eigen land, streven naar het sluiten van kringlopen et cetera. Het is daarom goed om als overheden kritisch te blijven kijken naar het opofferen van landbouw­grond voor andere functies. Tegelijkertijd is afname van de totale productie van landbouw­producten door afname van het areaal en extensivering van het grondgebruik onvermijdelijk. 

De biodiversiteit is de afgelopen decennia sterk achteruitgegaan. In een deel van de natuurgebieden is de achteruitgang tot stilstand gebracht, maar in open natuurgebieden (heide, natuurgrasland) is de gemiddelde populatieomvang nog steeds drastisch aan het afnemen Zie o.a. https://www.wwf.nl/globalassets/pdf/lpr/wwf-living-planet-report-nederland-2020-natuur-en-landbouw-verbonden.pdf 
. Ook in landbouwgebieden gaat de achteruitgang van de biodiversiteit nog steeds door. De insectensterfte is groot, bijvoorbeeld onder de bijen, verantwoordelijk voor de bestuiving. Hier zijn ook maatregelen nodig in het landelijk gebied. Door de afname van insecten en geschikte broedgebieden is de Grutto, onze nationale vogel, sterk in aantal teruggelopen. Hiervoor is het Aanvalsplan Grutto opgesteld. Het Deltaplan Biodiversiteitsherstel https://www.samenvoorbiodiversiteit.nl/
heeft met een groot aantal partijen een plan opgesteld voor het herstel en beheer van landschapselementen, de stimulans van kruidenrijke graslanden en andere maatregelen voor de landbouw om de biodiversiteit te bevorderen. Bloemrijkheid moet terugkomen in en rond de percelen, en bestrijdingsmiddelen moeten fors verminderd. Ook hier kan sprake zijn van een wisselwerking: biodiversiteit en duurzaam bodem- en waterbeheer worden bevorderd en de agrarisch ondernemer krijgt een vergoeding voor landschappelijke diensten, ziet de bodem verbeteren en bespaart op het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Dit is vooralsnog grotendeels toekomstmuziek.

Naast Natura 2000 en het Natuur Netwerk Nederland (NNN) heeft ook de EU een biodiversiteitsstrategie. De ambitie van de Convention on Biological Diversity (CBD) van de VN is dat een derde van de planeet wordt beschermd voor het behoud van biodiversiteit. Europese landen hebben die afspraak overgenomen in hun eigen EU-biodiversiteitsstrategie, die spreekt over ‘ten minste’ 30 procent beschermde natuur in 2030. In Nederland is nu 969 duizend hectare beschermde natuur (Natura 2000-gebieden en NNN), goed voor 25,9 % van ons grondgebied. De opgave is dus 4,1%, gelijk aan ca. 150.000 hectare, oftewel een gebied van ca. 38,7 bij 38,7 km; een gebied ongeveer zo groot als de Provincie Utrecht (zie figuur 3.5). 

Bodemdaling en emissie van broeikasgassen in veenweidegebieden veroorzaken enorme maatschappelijke kosten. Het levert veel schade in bebouwde gebieden. Het PBL becijferde enkele jaren geleden dat de maatschappelijke kosten hiervan tot 2050 kunnen oplopen tot ruim 21 miljard euro https://www.pbl.nl/publicaties/dalende-bodems-stijgende-kosten
. Om bodemdaling (zie figuur 3.6) en emissies van broeikasgassen tegen te gaan, is het belangrijk het waterbeheer in de polders aan te passen en de waterstanden in de polder omhoog te brengen. Dit brengt echter ook nieuwe uitdagingen met zich mee, voornamelijk voor de landbouwsector, die afhankelijk is van lage grondwaterstanden. Tegelijkertijd kan ook deze opgave gezamenlijk opgaan met de transitie van de landbouw. Vernatting kan onder voorwaarden samengaan met extensivering en meer natuur­waarden, mits deze natuurwaarden ook kunnen bijdragen aan nieuwe agrarische verdienmodellen om het verlies aan inkomen door extensivering op te vangen. Er zijn verschillende plannen die daarop inspelen. Het College van Rijksadviseurs werkte in 2020 samen met gebiedspartijen aan een pilot voor Landschaps­inclusieve landbouw in de Krimpenerwaard https://www.collegevanrijksadviseurs.nl/adviezen-publicaties/publicatie/2020/07/09/landschapsinclusieve-landbouw-pilot-krimpenerwaard
, in het kader van het advies over een New Deal tussen boer en maatschappij https://www.collegevanrijksadviseurs.nl/projecten/rijk-boerenland
. Het Aanvalsplan Grutto, https://www.vogelbescherming.nl/docs/531bce4d-4124-4b5b-ba36-430c87fcb95e.pdf
waar ook agrarische organisaties aan deelnemen, stelt maatregelen voor om de gruttostand tot gezonde populaties te brengen. Hier zijn meerdere gebieden van minimaal 1.000 ha nodig in ons land, met bloemrijk grasland waar het waterpeil omhoog wordt gezet en boeren een goed inkomen krijgen voor hun melk.

Verzilting, verdroging en uitspoeling kan grootschalige problemen geven voor drinkwaterbedrijven, grondgebonden landbouw, natuur en industrie. In de agrarische kustregio’s van Nederland heeft dit in het verleden en het heden al gespeeld en de verwachting is dat dit probleem in de toekomst nog groter zal worden (figuur 3.7). Het is dan ook van groot belang dat we tijdig stappen nemen om een dergelijk scenario van verregaande verdroging (figuur 3.8) en verzilting te voorkomen. Het vasthouden van zoetwater geeft tegendruk en kan gecombineerd worden met natte teelten en (natte) natuurontwikkeling. Een andere optie is overschakelen naar zouttolerante teelten. Wanneer (kunst)mest aangewend wordt, neemt het risico op uitspoeling van nutriënten toe. Dit is afhankelijk van de mestgift, het tijdstip en de uitspoeling-gevoeligheid van de gronden. Zo is zandgrond veel gevoeliger voor uitspoeling dan kleigronden (figuur 3.9).

Naast de biodiversiteit is ook de kwaliteit van het landschap sterk achteruitgegaan door bebouwing, intensivering van de landbouw, weghalen van landschapseigen begroeiing et cetera. De Raad van Europa heeft in 2000 het Verdrag van Florence opgesteld, ook wel bekend als de Europese Landschapsconventie (ELC, zie figuur 3.1). Met de ondertekening van de Europese Landschapsconventie in 2000 heeft Nederland zich gecommitteerd aan erkenning en bescherming van universele landschapswaarden in beleid en beheer (zie hoofdstuk 4). Nederlanders hechten veel waarde aan de cultuurhistorie van het landschap en ontlenen er mede hun identiteit aan https://www.scp.nl/binaries/scp/documenten/monitors/2019/06/26/denkend-aan-nederland/SCR_H13.pdf
. Bij de zoektocht naar het verduurzamen van ons land is het dan ook belangrijk dat naar oplossingen wordt gezocht die recht doen aan de cultuurhistorische waarden van ons landschap, om het draagvlak te verhogen voor het invoeren van benodigde maatregelen en niet in de laatste plaats om de diversiteit en identiteit ervan te behouden.

— figuur 3.1 — Europese landschapsconventie

Bron: ELC

Gezondheid is ook een steeds belangrijker thema in relatie tot het landelijk gebied en specifiek de landbouw. Zoönosen zijn een steeds grotere bedreiging van de volksgezondheid. Zoönosen zijn infecties die van dieren op mensen kunnen worden overgedragen. Nederland is daar relatief vatbaar voor, vanwege de combinatie van een hoge bevolkingsdichtheid en een hoge landbouwhuisdierendichtheid. Pandemieën vinden hun oorsprong in gebieden waar zoönosen makkelijk kunnen overspringen naar mensen. Recente voorbeelden zijn de vogelgriep, Q-koorts en natuurlijk covid-19. Een slimme ruimtelijke aanpak kan ook het risico op zoönosen verkleinen, bijvoorbeeld door de veedichtheid in gebieden met een hoge bevolkingsconcentratie te verlagen. 

Voor de gezondheid van de Nederlandse bevolking is beweging en contact met natuur en landschap van groot belang. De Gezondheidsraad adviseert in en om steden meer groen voor recreatie aan te leggen aangezien de aanleg van ‘gezond groen’ is achtergebleven bij de groei en veranderde samenstelling van de stedelijke bevolking https://www.gezondheidsraad.nl/documenten/adviezen/2017/06/15/gezond-groen-in-en-om-de-stad
. De coronacrisis heeft de behoefte aan wandelen en fietsen in een aantrekkelijk landschap verder versterkt.

— figuur 3.2 tm 3.5 —

Figuur 3.2 Verstedelijkingsopgave
De verstedelijkingsopgave voor Nederland concentreert zich grotendeels in de Randstad en de zone daaromheen. Door de stikstofproblematiek wordt de uitvoering van de bouwopgave op dit moment vertraagd.

Figuur 3.3 Opgaven waterveiligheid en zoetwater

Figuur 3.4 Energieopgave

Figuur 3.5 Natuuropgave

 

 

 

— figuur 3.6 tm 3.9 —

Figuur 3.6 Bodemdaling
Door oxidatie/afbraak van veen, inklinking van kleibodems op enige diepte, rijping van de bodemdelen die boven het grondwaterniveau liggen en gaswinning, daalt de bodem. Omdat peilfixatie vaak het uitgangspunt is in het waterbeleid (mede om bodemdaling te beperken), leidt bodemdaling in bepaalde delen van Nederland tot afname van de drooglegging. Dit geldt met name voor veengronden en voor klei-op-veen, zoals dat op verschillende locaties voorkomt. De gangbare akkerbouw, tuinbouw en zelfs melkveehouderij kunnen hier op termijn beperkingen gaan ondervinden (draagkracht, gewasgroei en lokaal wateroverlast). 
Gebieden met een sterke bodemdaling hebben vaak een relatie met de emissie van broeikasgassen, waardoor bodemdaling ook een rol speelt in het halen van klimaatdoelen.

Figuur 3.7  Verzilting
Hoe ondieper het zoetzoutgrensvlak, hoe meer verzilt de ondergrond is. In gebieden waar wateraanvoer niet mogelijk is en waar oplossingen te kostbaar worden t.o.v. de verwachte opbrengst, ontstaan in de toekomst problemen.
Bij lokale agrarische onttrekkingen ten behoeve van beregening kunnen verziltingsverschijnselen optreden. Het effect hiervan op de bedrijfsvoering is groter in extreem droge perioden, wanneer er meer grondwater onttrokken wordt en er minder neerslag op de percelen valt voor behoud van een zoetwaterlens in het perceel. Het risico van verzilting is het grootst waar het zoute grondwater ondiep zit. Naarmate meer grondwater onttrokken wordt voor beregening (mede door klimaatverandering) neemt dit risico toe en kan (op termijn) verzilting van bronnen optreden. Ook de beschikbaarheid van zoet inlaatwater kan in de toekomst minder worden.

Figuur 3.8 Verdroging
De verwachte gemiddelde laagste grondwaterstandsdaling (GLG-daling) in de periode 2018-2050, gebaseerd op modelberekeningen. Door klimaatverandering veranderen neerslagpatronen. In grote delen van Nederland daalt de GLG, met name in het noorden, veenweidegebieden en langs de rivieren. Te lage grondwaterstanden vormen voor veel functies (o.a. natuur en landouw) een bedreiging.

Figuur 3.9 Stikstofuitspoeling naar het bovenste grondwater
Nitraat­concentraties worden bepaald door omgevingsfactoren zoals bodemgebruik, bodemtype, vegetatie etc. De relaties tussen nitraat en omgevingsfactoren zijn gebruikt om voor heel NL de nitraat­concentraties te schatten. Stikstofuitspoeling naar het grondwater bedreigt de kwaliteit van het grond- en opper­vlakte­water, met negatieve effecten voor drinkwater­kwaliteit en ecologie.

Resumé

Heel veel van de opgaven die hierboven zijn besproken, hangen met elkaar samen en hebben een ruimtelijke dimensie. Er zijn veel strategieën ontwikkeld om op deelaspecten tot stapsgewijze verbetering en oplossingen te komen. Vaak gedreven door de noodzaak om op korte termijn actie te ondernemen. Uit oogpunt van efficiency, kostenbeperking en daadkracht is het van groot belang dat de opgaven in samenhang met elkaar worden aangepakt en dat al die visies, strategieën, akkoorden en programma’s op een regionale schaal leiden tot een gebiedsgerichte aanpak. Hierbij is het van belang om te weten welke verplichtingen wij in ons land op ons genomen hebben en wat er gebeurt wanneer we daar niet aan voldoen. Daarom zetten wij in het volgende hoofdstuk op een rij wat die verplichtingen zijn. Vervolgens presenteren we in hoofdstuk 5 onze toekomstvisie, uitgaande van die verplichtingen, maar wel in het bredere kader van alle opgaven.